Geschiedenis

De Kring voor Internationale Betrekkingen is een studentenvereniging verbonden aan de KU Leuven en werd reeds in 1945 opgericht.

Enkele maanden na de bevrijding, nl. in het voorjaar van 1945, nam Prof. Omer de Raeymaeker (+) het initiatief om onder de Vlaamse studenten aan de Katholieke Universiteit te Leuven een Kring voor Internationale Betrekkingen (KIB) te stichten. In de jaren voor de Tweede Wereldoorlog had hij als student en als navorser kunnen merken hoe weinig de problemen die verband hielden met de buitenlandse politiek en de internationale betrekkingen in het algemeen actieve belangstelling bij de intellectuele jeugd wekten.

De Vlaamse ontvoogdingsstrijd had vele energieën in beslag genomen. Zo waren de jongeren in die atmosfeer opgegroeid zonder dat de meesten een voldoende visie hadden op wat er buiten de grenzen gebeurde. De merkwaardige ontwikkeling van de techniek en meer speciaal van de massa-media en van de communicatiemiddelen na het tweede wereldconflict zou plots het wereldbewustzijn in de Westerse landen sterk aanwakkeren, maar bij de jongeren in Vlaanderen was het particularisme nog zeer levendig. Deze toestand moest doorbroken worden door een breed initiatief waarbij de universitaire jeugd van verschillende faculteiten in kennis kon worden gesteld van wat in de wereld omging en van de nieuwe internationale positie waarin België na de Tweede Wereldoorlog gesteld werd.

Professor Omer De Raeymaeker werd bij deze opzet krachtig gesteund door prominenten als Minister van staat Frans van Cauwelaert en Minister Paul van Zeeland die er aan hielden de stichtingsvergadering van de kring in de salons van het Filosofisch Instituut te Leuven bij te wonen.

Vanaf oktober 1945 werden de activiteiten van de kring ongezet. Gedurende geruime tijd was de opzet voornamelijk het organiseren van grote voordrachten, gegeven door eminente personaliteiten die voor een ruim studentenpubliek - meestal werden de vergaderingen in de Grote Aula van het Maria-Theresia-College gehouden - de vrucht van hun rijke ervaring op internationaal gebied kwamen mededelen.

Een van de eerste voorname sprekers was Prof. Schermerhorn, Nederlands Eerste Minister, die voor een ruim gehoor in de Promotiezaal van de Universiteitshallen een krachtig pleidooi hield voor een sterke christelijk-socialistische coalitie in de Lage Landen aan de Zee om met prestige èn nationaal èn internationaal te kunnen optreden. Daarop volgden de opmerkelijke uiteenzettingen van de Heer Paul van Zeeland, Minister van Buitenlandse Zaken, die de nieuwe elementen van onze internationale positie kernachtig kwam belichten en van de heer Bidault, Frans Minister van Buitenlande Zaken, die zijn grote ontgoocheling over de breuk tussen de Sovjetuie en de Westerse democratieën op de Ministerconferentie tot uiting bracht.

Inmiddels hield Staatsminister Frans Van Cauwelaert in 1946 en 1947 briljante redevoeringen waarin hij de noodzakelijkheid van een Atlantisch gerichte West-Europese - Noord-Amerikaanse gemeenschap bepleitte. Zijn visie was een prefiguratie van het in 1949 gesloten Noord-Atlantisch bondgenootschap.

Op het einde van de jaren vijftig en in de loop van de jaren zestig kwam Minister Raymond Scheyven herhaalde malen een ruim studentenpubliek vergasten met de mededeling van de indrukken die hij had opgedaan bij zijn reizen in de Sovjetunie, in Azië en in de Latijns-Amerikaanse landen. Hij wist de studenten bewust te maken van het kapitaal belang van de hulp aan de ontwikkelingslanden. Zij waren hiertoe enigszins voorberied door de indrukwekkende rede die Eerwaarde Pater Pire, Nobel-Prijs voor de Vrede, in 1961 had gehouden over de schrijnende nood van zovele arme landen in de wereld.

Ook de Heer August Vanistendael, toenmalig Secretris-Generaal van het Internationaal Christelijk Vakverbond en later Voorzitter van Caritas Chatolica, heeft meer dan eens zijn originele visie over de ontwikkelingsproblematiek vertolkt. Dit was tevens het geval met de Heel Tibor Mende, groot specialist ter zake, die vooral Aziatische problemen behandelde, met de Heer Walter Geerts, die zijn aandacht speciaal op de Centraal-Afrikaanse problemen vestigde en met Prof. Louis Baeck die de betekenis van het streven naar een nieuwe internationale economische orde in het licht van de Noord-Zuid-verhoudingen doorgrondde. Anderzijds bleek de speciale belangstelling van de studenten van de Aziatische problemen, toen zij in het voorjaar van 1976 de Heer Ambassadeur Groothaert, die verschillende jaren ons land te Peking had vertegenwoordigd, uitnodigden om de oriëntering van de buitenlandse politiek van Communistisch China te verklaren. Dit deed hij op meesterlijke wijze.

Dat in de kring vanaf het begin de Europese problematiek aan bod kwam, was niet verwonderlijk. In 1955 kreeg de kring het voorname bezoek van de Heer Robert Schuman, oud-minister van Buitenlandse zaken van Frankrijk, vader van het verenigd Europa, die de oprichting van de Europese instellingen en meer speciaal van de EGKS situeerde in het licht van de Pauselijke Encyclieken.

Wanneer na de EGKS de Euromarkt was tot stand gekomen, bezocht Prof. Walter Hallstein, Voorzitter van de Commissie van de EEG, in 1959 de Kring voor Internationale Betrekkingen en onderstreepte hij er de rol van de Commissie in de verwezenlijking van de Europese integratie.

Een andere eminente spreker was Aartshertog Otto van Habsburg, oud-student van de School voor Politieke en Sociale Wetenschappen van de Katholieke Universiteit te Leuven alwaar hij zijn doctoraat behaalde. Hij gaf een brede schets alsmede een persoonlijke verklaring van de nieuwe impuls tot Europese eenmaking dat na de Tweede Wereldoorlog was gegroeid. Toen President de Gaulle in 1963 voor de eerste maal zijn veto stelde tegen de intrede van Groot-Brittanië in de Europese Economische Gemeenschap, kwam Minister Mansholt, Onder-Voorzitter van de Commissie van deze Gemeenschap, zijn grote ontstemming over die negatieve houding tot uiting brengen. Zijn opmerkelijke rede in de Kardinaal Mercierzaal van het Filosofisch Instituut verwekte een grote echo in de internationale pers. Later bracht Minister Jean Rey, Voorzitter van de Commissie der Europese Gemeenschappen, in een ernstige crisisperiode, zijn onwankelbare hoop in de toekomst van de Europese integratie tot uiting.

Er was ook een grote toeloop van studenten toen Minister Paul-Henri Spaak, oud-minister van Buitenlandse Zaken en oud-Secretaris-Generaal van de NAVO, bezieler van de “relance européenne” en van de Euromarkt, bij het verschijnen van zijn mémoires “Combats inachevés” de onontbeerlijkheid van een verder doorgevoerde Europese eenmaking en Atlantische gemeenschap met brio kwam onderstrepen. Over de betekenis van de “détente”-politiek, tussen Oost en West, die hij in de NAVO-raad had vooropgesteld, hield de Heer Pierre Harmel, Minister van Buitenlandse Zaken, een overtuigend betoog.

Prof. H. Rolin, Voorzitter van de Senaat, sprak over de noodzakelijkheid van een positieve regeling van de Duitse Bondsrepubliek met Oost-Duitsland. Op de Heer Schmelzer, Nederlands Minister van Buitenlandse Zaken, werd in 1972 beroep gedaan om de positie van Nederland in het in het vooruitzicht gestelde Europa der Negen te verduidelijken.

Een andere formule van informatie werd door de Kring voor Internationale Betrekkingen beproefd door de uitnodiging van tal van vreemde Ambassadeurs in ons land, o.m. de diplomatieke vertegenwoordigers van Spanje, de Duitse Bondsrepubliek, Groot-Brittannië, de Verenigde Staten, Joegoslavië, Libanon en Israël, om de internationale positie van hun respectieve landen te belichten. Al werd er gevreesd dat deze officiële vertegenwoordigers wegens hun positie niet veel origineels en nieuws over hun land konden mededelen, werden de studenten verrast door de originaliteit van hun betoog.

Tevens kwamen Kanselier Figl van Oostenrijk en Gouverneur Klaus, die ook later Oostenrijks kanselier werd, de positie van neutraliteit van hun land verklaren.

Op de meeste van de grote voordrachten – dit betreft de periode tussen 1945 en 1965 – werden de leden van het diplomatiek korps en tal van andere hoge personaliteiten uitgenodigd. Hun aanwezigheid gaf aan deze vergaderingen een aangepaste stijl die zonder twijfel de Vlaamse studentengemeenschap ten goede kwam. Hun gezichtseinder van de participerende leden werd hierdoor verruimd. Hun rechtstreeks contact met voorname gasten op de recepties na de voordrachten zou hen meer dan eens voor hun verdere studies in het buitenland en voor hun latere carrière van groot nut zijn.

Buiten de voordrachtenreeks organiseerde de Kring voor Internationale Betrekkingen ook tal van studievergaderingen waarop studenten zelf aan het woord kwamen en specifieke internationale problemen behandelden die dan aan een grondige discussie werden onderworpen. Zo werdenmeermaals verschillende actuele thema’s uitgediept.

In de schoot van de kring werd steeds het contrast met de te Leuven studerende buitenlandse studenten sterk bevorderd. Leden van KIB woonden vergaderingen van het Centre International desEtudiants Etrangers bij. Tevens ontving de kring meermaals vreemde studenten die de toestand in hunland kwamen uiteenzetten, wat dikwijls aanleiding gaf tot levendige gedachtewisselingen. Dezeomgang met vreemde studenten maakte de leden “international minded”, wat hun visie over hetwereldgebeuren verruimde. De talrijke contacten van de KIB met de inmiddels gestichte Europakring ende geregelde onderlinge samenwerking tussen beide moet hier speciaal onderstreept worden.

Bij de viering van het twintigjarig en het vijfentwintigjarig bestaan van de Kring voor InternationaleBetrekingen werden een academische zitting en een colloquium gehouden, waarop o.m. MinisterLudovic Moyersoen, Senator Victor Leemans en Professor Albert Coppé het woord voerden.

In de loop van de jaren heeft Professor Omer De Raeymaeker met grote voldoening de groeiende openheid van de Vlaamse studenten voor de internationale problemen kunnen vaststellen. Tevensgingen zij zich meer en meer interesseren voor de diplomatieke en internationale carrière. Zo werd herhaalde malen aan diplomaten – meestal oud-studenten van Leuven – die in deze loopbaan een grote ervaring hadden verworven, gevraagd de verschillende aspecten van de carrière te komen belichten. We denken o.m. aan de zeer belangwekkende uiteenzettingen van de Heren Ambassadeurs Marnix Gijsen,Jacques Eggermoet, Paul Noterdaeme, Felix Standaert en Jean-Paul van Bellinghen – deze laatste was een van de eerste voorzitters van de Kring.

Maken we tenslotte ook gewag van de talrijke en vruchtbare geleide bezoeken van de studenten aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, aan de Europese Gemeenschappen en aan de NAVO waar zij steeds met veel sympathie werden ontvangen.

Terug